Engels-grammatica
Verleden tijden
De Engelse verleden tijden hebben elk hun eigen functie: past simple vertelt afgeronde gebeurtenissen, past continuous schetst de achtergrond, en past perfect grijpt terug naar een moment vóór een ander punt in het verleden.
Verleden tijden uit het leerboek
De standaardvormen die wereldwijd in Engels-cursussen worden gegeven, geïllustreerd met echte clips van moedertaalsprekers, geen verzonnen voorbeelden.
Past Simple
Subject + past verb (regular: -ed / irregular: went, saw, said…)
De ruggengraat van verhalen in het Engels. Voor afgeronde handelingen op een specifiek moment in het verleden. Je hoort deze tijd het meest in dagelijkse gesprekken en vertellingen.
Past Continuous
Subject + was/were + verb-ing
Voor handelingen die op een bepaald moment in het verleden bezig waren, of als achtergrond bij een andere gebeurtenis. Vaak samen met de past simple: “I was cooking when she called.”
Past Perfect
Subject + had + past participle
Om te laten zien dat de ene handeling in het verleden vóór de andere plaatsvond. “She had already left when I arrived.” Onmisbaar voor een duidelijke volgorde in verhalen en uitleg.