Souvenirs laten zien na de vakantie
A1 Dutch luisteroefening · Nederlands · Geschikt voor beginners
Wat betekent 'armband' in het Nederlands?
Het Nederlands noemt een armband armband — letterlijk 'armband'. Het zijn twee alledaagse woorden samengevoegd: arm (arm) + band (band, riem, lint). Het woord verklaart zichzelf, en zodra je het patroon ziet, openen vergelijkbare samenstellingen zich: polsband (polsband, letterlijk 'polsband'), haarband (haarband). Het Nederlands bouwt constant zelfstandige naamwoorden door twee kortere woorden op elkaar te stapelen, en armband is een van de meest transparante voorbeelden die je op winkelniveau tegenkomt.
In deze souvenirclip haalt de spreker armband na armband eruit: 'Deze mooie armband. ... En deze mooie armband.' Het woord komt in een paar seconden drie keer voor, waardoor de vorm hakt. Band op zich dekt een breed scala in het Nederlands — een strook stof, een muziekband, een band (in sommige Belgische gebruik), en een elastiekje. Armband is standaard in zowel Nederland als België. Handige woordenschat bij winkelen: gouden armband (gouden armband), zilveren armband (zilveren armband), leren armband (leren armband), meerdere armbanden (verschillende armbanden — let op de meervoudsvorm -en). De samenstellingslogica strekt zich verder uit naar sieraden: oorbellen (oorbellen, letterlijk 'oorbellen'), halsketting (ketting, letterlijk 'halsketting').
Woordfrequentie
Hoe vaak komt de woordenschat voor in Dutch luisteroefening op A1-niveau?
Algemene woordfrequentie in het Nederlands
Woordfrequentie in gesproken Nederlands
Woorden boven het niveau van deze video
Korte uitleg bij woorden die verder gaan dan het A1-niveau van deze video.
Bron: wordfreq 3.1.1 (algemeen) · SUBTLEX-NL 2014 (gesproken). Categorieën zijn bij benadering; we slaan exacte rangordes niet op.