Conjugação básica de estar e falar em português
A1 Portuguese luisteroefening · Braziliaans Portugees · Geschikt voor beginners
Wat betekent „estar“ in het Portugees?
Het Portugees heeft twee werkwoorden voor „zijn“, en estar is degene voor hoe dingen er nu voor staan — stemming, locatie, weer, alles wat voorbijgaat. De onvoltooid tegenwoordige tijd is eu estou, você/ele está, nós estamos, vocês/eles estão. Dus nós estamos com calor betekent „wij hebben het warm“ — warm op dit moment, niet als blijvende eigenschap. Leer deze vier vormen en je kunt vanaf dag één zeggen waar je bent en hoe je je voelt.
De scheiding is de kern van A1-Portugees: ser is voor blijvende identiteit (ela é brasileira, „zij is Braziliaans“), terwijl estar is voor tijdelijke toestanden (ela está cansada, „zij is nu moe“). Daarom nemen gevoelens en toestanden estar: estou com fome („ik heb honger“), está chovendo („het regent“). De clip noemt ook de drie werkwoordfamilies van het Portugees — de -ar, -er- en -ir-uitgangen (zoals falar, „spreken“) — het kader waar elk regelmatig werkwoord zich aan houdt.