Uitleg over gezin en familie in het Nederlands
A1 Dutch luisteroefening · Nederlands · Geschikt voor beginners
Wat betekent **gezin** in het Nederlands?
In het Nederlands dekt familie de hele familiestamboom — grootouders, neven en nichten, ooms en tantes. Gezin is nauwer: het betekent alleen de ouders en kinderen die onder één dak wonen. Als een Nederlander dus zegt ons gezin, bedoelt hij niet de uitgebreide familie, maar precies de mensen in dat huishouding. Het is een handig onderscheid dat het Engels vervaagt in het ene woord 'family'.
De clip maakt het onderscheid expliciet: “de familie is groter dan alleen de vader, moeder en kinderen — dat is namelijk het gezin.” Je ziet het gedemonstreerd met twee ouders en twee kinderen: die groep is het gezin; de grootouders en neven en nichten die uit beeld wachten zijn de familie. Het woord gaat terug op middeleeuws ghesinde — een reisgenoot of huishoudgevolg — dat over de eeuwen vernauwde tot de mensen die je huis delen. Dezelfde gedachte zit in Latijn familia, van famulus (dienaar), waardoor beide woorden veraf verwanten zijn van het concept van het huishouden.