In de Nederlandse les met Marieke en Martin
A1 Dutch luisteroefening · Nederlands · Geschikt voor beginners
Wat betekent „buitenland” in het Nederlands?
Nederlands bouwt „buitenland” door twee alledaagse woorden samen te persen: buiten (buiten) en land (land) klikken in elkaar tot buitenland, „buiten-land.” Iemand uit het buitenland is een buitenlander, en een buitenlandse student is een buitenlandse student. Zodra je de twee helften ziet, gaat de hele familie open — en kun je tientallen Nederlandse samengestelde woorden raden door je af te vragen wat ze letterlijk beschrijven.
In deze Nederlandse les bezoekt Martin Marieke’s klas in Rotterdam: „Hier geeft Marieke Nederlandse les aan buitenlandse studenten” — studenten uit Spanje, Rusland, Duitsland, Frankrijk en Engeland, die allen insisteren: „Ik wil Nederlands spreken!” Het voorvoegsel buiten- duikt overal op in het alledaagse Nederlands: buitenkant (de buitenkant, letterlijk „buiten-zijde”), buitengewoon (buitengewoon, letterlijk „buiten-gewoon”), buitensport (buitensport), buitenspelen (buiten spelen). Het zelfstandig naamwoord het buitenland = het buitenland, en in het buitenland wonen = in het buitenland wonen. Als je buiten en land apart al kent, weet je al wat het samengestelde woord betekent voordat iemand het uitlegt — en dat is precies het sterke van transparante Nederlandse samenstellingen.