Drie nieuwe woorden: lepel, vork en mes
A1 Dutch luisteroefening · Nederlands · Geschikt voor beginners
Wat betekent “scheppen” in het Nederlands?
In het Nederlands betekent “scheppen” scheppen of polen — “Ik schep de soep in mijn kom”. Hetzelfde werkwoord betekent ook scheppen. God schiep de hemel en de aarde: “God schiep de hemel en de aarde.” Een pollepel en de daad van schepping delen één Nederlands werkwoord. In de verleden tijd vallen de twee betekenissen uiteen: “schepte” voor scheppen, “schiep” voor scheppen — maar beide komen van dezelfde wortel.
De clip leert drie bestekwoorden — lepel (lepel), vork (vork), mes (mes) — elk met zijn werkwoord: “Met een lepel kun je de soep scheppen. Ik schep de soep in mijn kom.” Het zelfstandig naamwoord “schep” betekent een schep of schop. De “scheppen”-zin van scheppen leeft in woorden die leerlingen vaak tegenkomen: “de schepping” (schepping), “de schepper” (schepper), “een kunstenaar schept iets nieuws” (een kunstenaar schept iets nieuws). De twee verleden-tijdsvormen zijn echt verschillend omdat “scheppen” (scheppen) een sterk werkwoord is als “zingen/zong” in het Engels: “schiep” (schiep) vs “schepte” (schepte). Het gedeelde wortelidee is iets in een nieuwe vorm of plaats brengen — of het nu soep in een kom is of een wereld in het bestaan.