Aan het doen: oefenen met dagelijkse activiteiten
A1 Dutch luisteroefening · Nederlands · Geschikt voor beginners
Wat betekent „aan het” in „ik ben aan het dansen”?
Nederlands heeft geen „-ing“-uitgang voor lopende handelingen. In plaats daarvan gebruikt het „zijn + aan het + werkwoord” — dus „ik ben aan het dansen” betekent letterlijk „ik ben aan het dansen.” Het patroon werkt voor elke handeling die nu gebeurt: ik ben aan het schoonmaken, wij zijn aan het praten, jullie zijn aan het eten. Als er ook een object is, schuift dat er voor „aan het”: ik ben boodschappen aan het doen — ik ben boodschappen aan het doen.
De clip oefent vijf activiteiten op een rij: „Ik ben aan het dansen. Ik ben aan het schoonmaken. Ik ben boodschappen aan het doen. Wij zijn aan het praten. Jullie zijn aan het eten.” „Aan het” betekent letterlijk „aan het,” wat de zin geeft van „bezig zijn met iets doen.” De verleden tijd is net zo simpel: „Ik was aan het dansen” (ik was aan het dansen). Bij vragen keert de structuur om: „Ben jij aan het dansen?” — ben jij aan het dansen? In informeel geschreven Nederlands zie je soms de verkorting „aan’t” (geen spatie, geen hoofdletter), zoals in „ik ben aan’t koken.”