Conjugações do verbo fazer comparadas com inglês

WhatsAppGmailTelegramE-mail

B1 Portuguese luisteroefening · Portugees · Geschikt voor leerders op gemiddeld niveau

💡 Wist je dat?

Wat betekent “fazer” in het Portugees?

fazer
Portugees vormveranderend werkwoord
“to do/make” — maar het wisselt van stam: faço, fiz, farei

Waar Engels één nette stam houdt (do, does, did, done), verandert Portugees fazer (“to do/make”) van vorm. De tegenwoordige tijd is faço, maar de verleden tijd springt naar een nieuwe stam fiz- (fiz, “ik deed”), en de toekomende tijd pakt weer een andere: far- geeft farei (“ik zal doen”). Het voltooid deelwoord laat het werkwoord bijna volledig vallen: feito. Één werkwoord, drie of vier verschillende stammen om te herkennen.

De stamwisseling is overgeërfd, niet willekeurig: fazer komt van het Latijnse facere, en hetzelfde onregelmatige skelet overleeft in de Romaanse broertjes en zusjes — Spaans hacer (hago, hice, haré), Frans faire, Italiaans fare. De toekomende tijd en de voorwaardelijke vorm zijn gebouwd op een samengevoegde far- stam (farei, faria), daarom lijken ze zo weinig op de infinitief. De conjunctieve leunt ook op de verleden stam: faça (tegenwoordige tijd) versus fizesse en fizer (verleden en toekomende conjunctieve). Leer de vier ankers — faço, fiz, farei, feito — en de rest van de tabel valt op zijn plaats.

Ontdek comprehensible input in het Portuguese op Reelang

Open de Portugese hub